smijten
werkwoord /smɛitə(n)/Betekenis
- hard gooien of werpen
Hoe spreek je smijten uit?
/smɛitən/
Smijten bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| m | maan |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van smijten
smijtenhele werkwoord — smeetverleden tijd enkelvoud — smetenverleden tijd meervoud — gesmetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smijt | smeet |
| jij | smijt | smeet |
| hij, zij, het | smijt | smeet |
| wij | smijten | smeten |
| jullie | smijten | smeten |
| zij | smijten | smeten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesmeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmeten | verleden tijd, deelwoord |
| gesmeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smeet | verleden tijd |
| smijt | gebiedende wijs |
| smijte | aanvoegende wijs |
| smijtend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘werpen’ voor het eerst aangetroffen in 1340
Woordfamilie van smijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmeten | voltooid deelwoord | smijten |
| smeet | verleden tijd | smijten |
| smeten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smijten |
| smijt | gebiedende wijs | smijten |
| smijte | aanvoegende wijs | smijten |
| smijtend | onvoltooid deelwoord | smijten |
| smijtende | woordvorm | smijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smijten zijn vastgelegd.