gooien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣojə(n)Betekenis
- het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
Hoe spreek je gooien uit?
/ˈxojən/
Gooien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| o | boot |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gooien
gooienhele werkwoord — gooideverleden tijd enkelvoud — gooidenverleden tijd meervoud — gegooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gooi | gooide |
| jij | gooit | gooide |
| hij, zij, het | gooit | gooide |
| wij | gooien | gooiden |
| jullie | gooien | gooiden |
| zij | gooien | gooiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegooid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegooid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegooid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegooid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegooid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegooid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegooid | verleden tijd, deelwoord |
| gegooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gooi | gebiedende wijs |
| gooide | verleden tijd |
| gooie | aanvoegende wijs |
| gooiend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gooi
Herkomst
van Middelnederlands goyen, in de betekenis van ‘werpen’ aangetroffen vanaf 1350
Woordfamilie van gooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegooid | voltooid deelwoord | gooien |
| gegooide | woordvorm | gooien |
| gooide | verleden tijd | gooien |
| gooiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gooien |
| gooie | aanvoegende wijs | gooien |
| gooiend | onvoltooid deelwoord | gooien |
| gooiende | woordvorm | gooien |
| gooit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gooien zijn vastgelegd.