werpen
werkwoord ˈwɛrpə(n)Betekenis
- met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
- (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
Hoe spreek je werpen uit?
/ˈwɛrpən/
Werpen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ter wereld brengen, baren transitive
Vervoeging van werpen
werpenhele werkwoord — wierpverleden tijd enkelvoud — wierpenverleden tijd meervoud — geworpenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werp | wierp |
| jij | werpt | wierp |
| hij, zij, het | werpt | wierp |
| wij | werpen | wierpen |
| jullie | werpen | wierpen |
| zij | werpen | wierpen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geworpen | verleden tijd, deelwoord |
| geworpen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geworpen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te werpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| werp | gebiedende wijs |
| werpe | aanvoegende wijs |
| werpend | onvoltooid, deelwoord |
| wierp | verleden tijd |
| zal geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt werpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult werpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gooien’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van werpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geworpen | voltooid deelwoord | werpen |
| werp | gebiedende wijs | werpen |
| werpe | aanvoegende wijs | werpen |
| werpend | onvoltooid deelwoord | werpen |
| werpende | woordvorm | werpen |
| werpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | werpen |
| wierp | verleden tijd | werpen |
| wierpen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | werpen |
| wierpt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | werpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van werpen zijn vastgelegd.