Naar de inhoud

uitsnijden

uit een lap stof knippen

uitsnijden

werkwoord

Betekenis

  1. uit een lap stof knippen
  2. door snijden uit een groter geheel afzonderen
  3. door snijden in model brengen

Vervoeging van uitsnijden

uitsnijdenhele werkwoord — sneed uitverleden tijd enkelvoud — sneden uitverleden tijd meervoud — uitgesnedenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snij uit sneed uit
jij snijdt uit sneed uit
hij, zij, het snijdt uit sneed uit
wij snijden uit sneden uit
jullie snijden uit sneden uit
zij snijden uit sneden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgesneden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgesneden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgesneden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgesneden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgesneden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgesneden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. snij uit/ snijd uit gebiedende wijs
had uitgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sneed uit verleden tijd
te hebben uitgesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te snijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal snijden bijzin, toekomende tijd
uit zou snijden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden snijden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt snijden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen snijden bijzin, toekomende tijd
uit zult snijden bijzin, toekomende tijd
uitgesneden verleden tijd, deelwoord
uitgesneden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesneden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesneden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesneden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesneden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesneden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesneden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesneden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesneden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesneden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsneden bijzin, verleden tijd
uitsneed bijzin, verleden tijd
uitsnij bijzin, tegenwoordige tijd
uitsnijd bijzin, tegenwoordige tijd
uitsnijdend onvoltooid, deelwoord
uitsnijdt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsnijden bijzin, toekomende tijd
zijn uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsnijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsnijden uit zou(dt) snijden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsnijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsnijden bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsnijden bijzin, toekomende tijd
zult uitgesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en snijden

Woordfamilie van uitsnijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sneden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsnijden
sneed uit verleden tijd uitsnijden
snij uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon uitsnijden
snijd uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon uitsnijden
snijde uit woordvorm uitsnijden
snijden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitsnijden
snijdt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitsnijden
uitgesneden voltooid deelwoord uitsnijden
uitsneed subordinate-clause, verleden tijd uitsnijden
uitsnij subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsnijden
uitsnijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsnijden
uitsnijde with-subordinate-clause uitsnijden
uitsnijdend onvoltooid deelwoord uitsnijden
uitsnijdende woordvorm uitsnijden
uitsnijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsnijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsnijden zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitsnijden

Wat is de betekenis van uitsnijden?
Uitsnijden is een werkwoord. De betekenis is: uit een lap stof knippen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitsnijden?
Zo vervoeg je uitsnijden zo: het voltooid deelwoord is uitgesneden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsnijden is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. N 1
  6. I 1
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsnijden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. N 1
  6. I 2
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsnijden in het kort

uitsnijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitsnijden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitsnijden bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitsnijden: uit een lap stof knippen
Deel uitsnijden — standaardnederlands.nl