Naar de inhoud

uitsmijten

smijtend verwijderen

uitsmijten

werkwoord

Betekenis

  1. smijtend verwijderen

Vervoeging van uitsmijten

uitsmijtenhele werkwoord — smeet uitverleden tijd enkelvoud — smeten uitverleden tijd meervoud — uitgesmetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik smijt uit smeet uit
jij smijt uit smeet uit
hij, zij, het smijt uit smeet uit
wij smijten uit smeten uit
jullie smijten uit smeten uit
zij smijten uit smeten uit
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesmeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesmeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesmeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesmeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesmeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesmeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesmeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesmeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesmeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
smeet uit verleden tijd
smijt uit gebiedende wijs
te hebben uitgesmeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsmijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te smijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen smijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal smijten bijzin, toekomende tijd
uit zou smijten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden smijten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt smijten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen smijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen smijten bijzin, toekomende tijd
uit zult smijten bijzin, toekomende tijd
uitgesmeten verleden tijd, deelwoord
uitgesmeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesmeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsmeet bijzin, verleden tijd
uitsmeten bijzin, verleden tijd
uitsmijt bijzin, tegenwoordige tijd
uitsmijtend onvoltooid, deelwoord
zal uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsmijten bijzin, toekomende tijd
zou uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsmijten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsmijten uit zou(dt) smijten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsmijten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesmeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsmijten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsmijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsmijten bijzin, toekomende tijd
zult uitgesmeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitsmijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitsmijten bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitsmijten uit zult/zal smijten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en smijten

Woordfamilie van uitsmijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
smeet uit verleden tijd uitsmijten
smeten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsmijten
smijt uit gebiedende wijs uitsmijten
smijte uit woordvorm uitsmijten
smijten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitsmijten
uitgesmeten voltooid deelwoord uitsmijten
uitsmeet subordinate-clause, verleden tijd uitsmijten
uitsmeten subordinate-clause, verleden tijd uitsmijten
uitsmijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsmijten
uitsmijte with-subordinate-clause uitsmijten
uitsmijtend onvoltooid deelwoord uitsmijten
uitsmijtende woordvorm uitsmijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsmijten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitsmijten

Wat betekent uitsmijten?
Uitsmijten is een werkwoord. Het woord betekent: smijtend verwijderen.
Hoe vervoeg je uitsmijten?
Je vervoegt uitsmijten als volgt: het voltooid deelwoord is uitgesmeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsmijten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. M 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsmijten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. M 3
  6. I 2
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsmijten in het kort

uitsmijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitsmijten zijn 43 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitsmijten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitsmijten: smijtend verwijderen
Deel uitsmijten — standaardnederlands.nl