Naar de inhoud

uitsmeren

smerend uitspreiden

uitsmeren

werkwoord

Betekenis

  1. smerend uitspreiden
  2. verdelen

Vervoeging van uitsmeren

uitsmerenhele werkwoord — smeerde uitverleden tijd enkelvoud — smeerden uitverleden tijd meervoud — uitgesmeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik smeer uit smeerde uit
jij smeert uit smeerde uit
hij, zij, het smeert uit smeerde uit
wij smeren uit smeerden uit
jullie smeren uit smeerden uit
zij smeren uit smeerden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgesmeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgesmeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgesmeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgesmeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgesmeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgesmeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgesmeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgesmeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
smeer uit gebiedende wijs
smeerde uit verleden tijd
te hebben uitgesmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te smeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen smeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal smeren bijzin, toekomende tijd
uit zou smeren bijzin, voorwaardelijk
uit zouden smeren bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt smeren bijzin, voorwaardelijk
uit zullen smeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen smeren bijzin, toekomende tijd
uit zult smeren bijzin, toekomende tijd
uitgesmeerd verleden tijd, deelwoord
uitgesmeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesmeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesmeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesmeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesmeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesmeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesmeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesmeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesmeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesmeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsmeer bijzin, tegenwoordige tijd
uitsmeerde bijzin, verleden tijd
uitsmeerden bijzin, verleden tijd
uitsmeert bijzin, tegenwoordige tijd
uitsmerend onvoltooid, deelwoord
waart uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgesmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgesmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgesmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsmeren bijzin, toekomende tijd
zijn uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgesmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsmeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsmeren uit zou(dt) smeren bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsmeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesmeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsmeren bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgesmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsmeren bijzin, toekomende tijd
zult uitgesmeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en smeren

Woordfamilie van uitsmeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
smeer uit gebiedende wijs uitsmeren
smeerde uit verleden tijd uitsmeren
smeerden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsmeren
smeert uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitsmeren
smere uit woordvorm uitsmeren
smeren uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitsmeren
uitgesmeerd voltooid deelwoord uitsmeren
uitgesmeerde woordvorm uitsmeren
uitsmeer subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsmeren
uitsmeerde subordinate-clause, verleden tijd uitsmeren
uitsmeerden subordinate-clause, verleden tijd uitsmeren
uitsmeert subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsmeren
uitsmere with-subordinate-clause uitsmeren
uitsmerend onvoltooid deelwoord uitsmeren
uitsmerende woordvorm uitsmeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsmeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitsmeren

Wat betekent uitsmeren?
Uitsmeren is een werkwoord. Het woord betekent: smerend uitspreiden. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitsmeren?
Je vervoegt uitsmeren als volgt: het voltooid deelwoord is uitgesmeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsmeren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. M 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsmeren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. M 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsmeren in het kort

uitsmeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitsmeren zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitsmeren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitsmeren: smerend uitspreiden
Deel uitsmeren — standaardnederlands.nl