uitwerpen
werkwoordBetekenis
- met kracht naar buiten brengen
- overboord gooien
- met een worp buiten de grenzen van het speelveld brengen
Vervoeging van uitwerpen
uitwerpenhele werkwoord — wierp uitverleden tijd enkelvoud — wierpen uitverleden tijd meervoud — uitgeworpenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werp uit | wierp uit |
| jij | werpt uit | wierp uit |
| hij, zij, het | werpt uit | wierp uit |
| wij | werpen uit | wierpen uit |
| jullie | werpen uit | wierpen uit |
| zij | werpen uit | wierpen uit |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is uitgeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeworpen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeworpen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeworpen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeworpen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te werpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal werpen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen werpen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult werpen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeworpen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeworpen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeworpen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwerp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwerpend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwerpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwierp | bijzin, verleden tijd |
| uitwierpen | bijzin, verleden tijd |
| werp uit | gebiedende wijs |
| wierp uit | verleden tijd |
| zal uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwerpen uit zou(dt) werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitwerpen uit zult/zal werpen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en werpen ww
Woordfamilie van uitwerpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgeworpen | voltooid deelwoord | uitwerpen |
| uitwerp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwerpen |
| uitwerpe | with-subordinate-clause | uitwerpen |
| uitwerpend | onvoltooid deelwoord | uitwerpen |
| uitwerpende | woordvorm | uitwerpen |
| uitwerpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwerpen |
| uitwierp | subordinate-clause, verleden tijd | uitwerpen |
| uitwierpen | subordinate-clause, verleden tijd | uitwerpen |
| werp uit | gebiedende wijs | uitwerpen |
| werpe uit | woordvorm | uitwerpen |
| werpen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwerpen |
| werpt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwerpen |
| wierp uit | verleden tijd | uitwerpen |
| wierpen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwerpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwerpen zijn vastgelegd.