uiteenzetten
werkwoordBetekenis
- een verklarende uitleg van iets geven
Vervoeging van uiteenzetten
uiteenzettenhele werkwoord — zette uiteenverleden tijd enkelvoud — zetten uiteenverleden tijd meervoud — uiteengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet uiteen | zette uiteen |
| jij | zet uiteen | zette uiteen |
| hij, zij, het | zet uiteen | zette uiteen |
| wij | zetten uiteen | zetten uiteen |
| jullie | zetten uiteen | zetten uiteen |
| zij | zetten uiteen | zetten uiteen |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uiteengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uiteengezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uiteengezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uiteengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uiteengezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uiteengezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uiteengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengezet | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenzette | bijzin, verleden tijd |
| uiteenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet uiteen | gebiedende wijs |
| zette uiteen | verleden tijd |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenzetten uiteen zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van uiteenzetten
Vervoeging van uiteenzetten
uiteenzettenhele werkwoord — zette uiteenverleden tijd enkelvoud — zetten uiteenverleden tijd meervoud — uiteengezetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zet uiteen | zette uiteen |
| jij | zet uiteen | zette uiteen |
| hij, zij, het | zet uiteen | zette uiteen |
| wij | zetten uiteen | zetten uiteen |
| jullie | zetten uiteen | zetten uiteen |
| zij | zetten uiteen | zetten uiteen |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uiteengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uiteengezet | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uiteengezet | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uiteengezet | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengezet worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengezet zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uiteengezet worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uiteengezet zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uiteengezet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te zetten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen zetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult zetten | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengezet | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengezet te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengezet worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengezet zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengezet zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenzet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenzette | bijzin, verleden tijd |
| uiteenzettend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengezet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uiteengezet | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zet uiteen | gebiedende wijs |
| zette uiteen | verleden tijd |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengezet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenzetten uiteen zou(dt) zetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengezet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengezet zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenzetten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenzetten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenzetten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenzetten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengezet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteengezet worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteengezet zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en zetten ww
Woordfamilie van uiteenzetten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uiteengezet | voltooid deelwoord | uiteenzetten |
| uiteengezette | woordvorm | uiteenzetten |
| uiteenzet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenzetten |
| uiteenzette | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenzetten |
| uiteenzettend | onvoltooid deelwoord | uiteenzetten |
| uiteenzettende | woordvorm | uiteenzetten |
| zet uiteen | gebiedende wijs | uiteenzetten |
| zette uiteen | verleden tijd | uiteenzetten |
| zetten uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenzetten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenzetten zijn vastgelegd.