Naar de inhoud

uiteenzetten

een verklarende uitleg van iets geven

uiteenzetten

werkwoord

Betekenis

  1. een verklarende uitleg van iets geven

Vervoeging van uiteenzetten

uiteenzettenhele werkwoord — zette uiteenverleden tijd enkelvoud — zetten uiteenverleden tijd meervoud — uiteengezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet uiteen zette uiteen
jij zet uiteen zette uiteen
hij, zij, het zet uiteen zette uiteen
wij zetten uiteen zetten uiteen
jullie zetten uiteen zetten uiteen
zij zetten uiteen zetten uiteen
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uiteengezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uiteengezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uiteengezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uiteengezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uiteengezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uiteengezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uiteengezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uiteengezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uiteengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uiteengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uiteenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteen te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen zal zetten bijzin, toekomende tijd
uiteen zou zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteen zullen zetten bijzin, toekomende tijd
uiteen zult zetten bijzin, toekomende tijd
uiteengezet verleden tijd, deelwoord
uiteengezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteengezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uiteengezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uiteengezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteengezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteengezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteenzet bijzin, tegenwoordige tijd
uiteenzette bijzin, verleden tijd
uiteenzettend onvoltooid, deelwoord
waart uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uiteenzetten bijzin, toekomende tijd
zet uiteen gebiedende wijs
zette uiteen verleden tijd
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uiteenzetten uiteen zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uiteenzetten bijzin, toekomende tijd
zult uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uiteenzetten

Vervoeging van uiteenzetten

uiteenzettenhele werkwoord — zette uiteenverleden tijd enkelvoud — zetten uiteenverleden tijd meervoud — uiteengezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet uiteen zette uiteen
jij zet uiteen zette uiteen
hij, zij, het zet uiteen zette uiteen
wij zetten uiteen zetten uiteen
jullie zetten uiteen zetten uiteen
zij zetten uiteen zetten uiteen
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uiteengezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uiteengezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uiteengezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uiteengezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uiteengezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uiteengezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uiteengezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uiteengezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uiteengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uiteengezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uiteenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteen te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen zal zetten bijzin, toekomende tijd
uiteen zou zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
uiteen zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteen zullen zetten bijzin, toekomende tijd
uiteen zult zetten bijzin, toekomende tijd
uiteengezet verleden tijd, deelwoord
uiteengezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteengezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uiteengezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uiteengezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteengezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteengezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteenzet bijzin, tegenwoordige tijd
uiteenzette bijzin, verleden tijd
uiteenzettend onvoltooid, deelwoord
waart uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uiteengezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uiteengezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uiteenzetten bijzin, toekomende tijd
zet uiteen gebiedende wijs
zette uiteen verleden tijd
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uiteengezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uiteenzetten uiteen zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uiteengezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteengezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uiteenzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteenzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uiteenzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uiteenzetten bijzin, toekomende tijd
zult uiteengezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uiteengezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uiteengezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uiteen bw en zetten ww

Woordfamilie van uiteenzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uiteengezet voltooid deelwoord uiteenzetten
uiteengezette woordvorm uiteenzetten
uiteenzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd uiteenzetten
uiteenzette subordinate-clause, verleden tijd uiteenzetten
uiteenzettend onvoltooid deelwoord uiteenzetten
uiteenzettende woordvorm uiteenzetten
zet uiteen gebiedende wijs uiteenzetten
zette uiteen verleden tijd uiteenzetten
zetten uiteen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uiteenzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenzetten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uiteenzetten

Wat is de betekenis van uiteenzetten?
Uiteenzetten is een werkwoord. De betekenis is: een verklarende uitleg van iets geven.
Hoe vervoeg ik uiteenzetten?
Zo vervoeg je uiteenzetten zo: het voltooid deelwoord is uiteengezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uiteenzetten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. Z 4
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uiteenzetten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. Z 5
  8. E 1
  9. T 2
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uiteenzetten in het kort

uiteenzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uiteenzetten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uiteenzetten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uiteenzetten: een verklarende uitleg van iets geven
Deel uiteenzetten — standaardnederlands.nl