uiteenvallen
werkwoordBetekenis
- het in stukken verdeeld raken van een groter geheel en daardoor niet meer kunnen functioneren
werkwoord
- opgesplitst worden in kleinere kernen
Vervoeging van uiteenvallen
uiteenvallenhele werkwoord — viel uiteenverleden tijd enkelvoud — vielen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val uiteen | viel uiteen |
| jij | valt uiteen | viel uiteen |
| hij, zij, het | valt uiteen | viel uiteen |
| wij | vallen uiteen | vielen uiteen |
| jullie | vallen uiteen | vielen uiteen |
| zij | vallen uiteen | vielen uiteen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uiteengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengevallen | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenvallend | onvoltooid, deelwoord |
| uiteenvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenviel | bijzin, verleden tijd |
| uiteenvielen | bijzin, verleden tijd |
| val uiteen | gebiedende wijs |
| viel uiteen | verleden tijd |
| waart uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uiteengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenvallen uiteen zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uiteenvallen uiteen zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en vallen ww
Woordfamilie van uiteenvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uiteengevallen | voltooid deelwoord | uiteenvallen |
| uiteenval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenvallen |
| uiteenvalle | with-subordinate-clause | uiteenvallen |
| uiteenvallend | onvoltooid deelwoord | uiteenvallen |
| uiteenvallende | woordvorm | uiteenvallen |
| uiteenvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenvallen |
| uiteenviel | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenvallen |
| uiteenvielen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenvallen |
| val uiteen | gebiedende wijs | uiteenvallen |
| valle uiteen | woordvorm | uiteenvallen |
| vallen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenvallen |
| valt uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteenvallen |
| viel uiteen | verleden tijd | uiteenvallen |
| vielen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenvallen zijn vastgelegd.