Naar de inhoud

uiteenvallen

het in stukken verdeeld raken van een groter geheel en daardoor niet meer kunnen functioneren

uiteenvallen

werkwoord

Betekenis

  1. het in stukken verdeeld raken van een groter geheel en daardoor niet meer kunnen functioneren

werkwoord

  1. opgesplitst worden in kleinere kernen

Vervoeging van uiteenvallen

uiteenvallenhele werkwoord — viel uiteenverleden tijd enkelvoud — vielen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val uiteen viel uiteen
jij valt uiteen viel uiteen
hij, zij, het valt uiteen viel uiteen
wij vallen uiteen vielen uiteen
jullie vallen uiteen vielen uiteen
zij vallen uiteen vielen uiteen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uiteengevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uiteenvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uiteen te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteen zal vallen bijzin, toekomende tijd
uiteen zou vallen bijzin, voorwaardelijk
uiteen zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
uiteen zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
uiteen zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteen zullen vallen bijzin, toekomende tijd
uiteen zult vallen bijzin, toekomende tijd
uiteengevallen verleden tijd, deelwoord
uiteengevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uiteengevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uiteenval bijzin, tegenwoordige tijd
uiteenvallend onvoltooid, deelwoord
uiteenvalt bijzin, tegenwoordige tijd
uiteenviel bijzin, verleden tijd
uiteenvielen bijzin, verleden tijd
val uiteen gebiedende wijs
viel uiteen verleden tijd
waart uiteengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uiteengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uiteengevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uiteengevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uiteengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uiteengevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uiteenvallen bijzin, toekomende tijd
zijn uiteengevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uiteengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uiteenvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uiteenvallen uiteen zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uiteenvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uiteengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uiteenvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uiteenvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uiteenvallen bijzin, toekomende tijd
zult uiteengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uiteenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uiteenvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uiteenvallen uiteen zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uiteen bw en vallen ww

Woordfamilie van uiteenvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uiteengevallen voltooid deelwoord uiteenvallen
uiteenval subordinate-clause, tegenwoordige tijd uiteenvallen
uiteenvalle with-subordinate-clause uiteenvallen
uiteenvallend onvoltooid deelwoord uiteenvallen
uiteenvallende woordvorm uiteenvallen
uiteenvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uiteenvallen
uiteenviel subordinate-clause, verleden tijd uiteenvallen
uiteenvielen subordinate-clause, verleden tijd uiteenvallen
val uiteen gebiedende wijs uiteenvallen
valle uiteen woordvorm uiteenvallen
vallen uiteen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uiteenvallen
valt uiteen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uiteenvallen
viel uiteen verleden tijd uiteenvallen
vielen uiteen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uiteenvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uiteenvallen

Wat betekent uiteenvallen?
Uiteenvallen is een werkwoord. Het woord betekent: het in stukken verdeeld raken van een groter geheel en daardoor niet meer kunnen functioneren. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uiteenvallen?
Je vervoegt uiteenvallen als volgt: het voltooid deelwoord is uiteengevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uiteenvallen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. V 4
  8. A 1
  9. L 3
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uiteenvallen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. E 1
  5. E 1
  6. N 1
  7. V 4
  8. A 1
  9. L 3
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uiteenvallen in het kort

uiteenvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uiteenvallen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uiteenvallen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uiteenvallen: het in stukken verdeeld raken van een groter geheel en daardoor niet meer kunnen functioneren
Deel uiteenvallen — standaardnederlands.nl