tegenstaan
werkwoordBetekenis
- gevoelens van aversie oproepen
Vervoeging van tegenstaan
tegenstaanhele werkwoord — stond tegenverleden tijd enkelvoud — stonden tegenverleden tijd meervoud — tegengestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta tegen | stond tegen |
| jij | staat tegen | stond tegen |
| hij, zij, het | staat tegen | stond tegen |
| wij | staan tegen | stonden tegen |
| jullie | staan tegen | stonden tegen |
| zij | staan tegen | stonden tegen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had tegengestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tegengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tegengestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tegengestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tegengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tegengestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tegengestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tegengestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta tegen | gebiedende wijs |
| stond tegen | verleden tijd |
| te hebben tegengestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tegenstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tegen te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegen zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| tegen zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegen zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| tegen zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| tegengestaan | verleden tijd, deelwoord |
| tegengestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tegengestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tegensta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenstaand | onvoltooid, deelwoord |
| tegenstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tegenstond | bijzin, verleden tijd |
| tegenstonden | bijzin, verleden tijd |
| tegenstondt | bijzin, verleden tijd |
| zal tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tegenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tegenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tegenstaan tegen zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tegenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tegengestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tegenstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tegenstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tegenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult tegengestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tegenstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult tegenstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal tegenstaan tegen zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van tegen bw en staan ww
Woordfamilie van tegenstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sta tegen | gebiedende wijs | tegenstaan |
| staan tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstaan |
| staat tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tegenstaan |
| stond tegen | verleden tijd | tegenstaan |
| stonden tegen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tegenstaan |
| tegengestaan | voltooid deelwoord | tegenstaan |
| tegensta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenstaan |
| tegenstaand | onvoltooid deelwoord | tegenstaan |
| tegenstaande | woordvorm | tegenstaan |
| tegenstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tegenstaan |
| tegenstond | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstaan |
| tegenstonden | subordinate-clause, verleden tijd | tegenstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenstaan zijn vastgelegd.