Naar de inhoud

tegenstaan

gevoelens van aversie oproepen

tegenstaan

werkwoord

Betekenis

  1. gevoelens van aversie oproepen

Vervoeging van tegenstaan

tegenstaanhele werkwoord — stond tegenverleden tijd enkelvoud — stonden tegenverleden tijd meervoud — tegengestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta tegen stond tegen
jij staat tegen stond tegen
hij, zij, het staat tegen stond tegen
wij staan tegen stonden tegen
jullie staan tegen stonden tegen
zij staan tegen stonden tegen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had tegengestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had tegengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had tegengestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden tegengestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden tegengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden tegengestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt tegengestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft tegengestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta tegen gebiedende wijs
stond tegen verleden tijd
te hebben tegengestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen tegenstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
tegen te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegen zal staan bijzin, toekomende tijd
tegen zou staan bijzin, voorwaardelijk
tegen zouden staan bijzin, voorwaardelijk
tegen zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
tegen zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegen zullen staan bijzin, toekomende tijd
tegen zult staan bijzin, toekomende tijd
tegengestaan verleden tijd, deelwoord
tegengestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
tegengestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
tegensta bijzin, tegenwoordige tijd
tegenstaand onvoltooid, deelwoord
tegenstaat bijzin, tegenwoordige tijd
tegenstond bijzin, verleden tijd
tegenstonden bijzin, verleden tijd
tegenstondt bijzin, verleden tijd
zal tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal tegenstaan bijzin, toekomende tijd
zou tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou tegenstaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) tegenstaan tegen zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden tegenstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt tegengestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt tegenstaan bijzin, voorwaardelijk
zullen tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen tegenstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen tegenstaan bijzin, toekomende tijd
zult tegengestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult tegenstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult tegenstaan bijzin, toekomende tijd
zult/zal tegenstaan tegen zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van tegen bw en staan ww

Woordfamilie van tegenstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sta tegen gebiedende wijs tegenstaan
staan tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon tegenstaan
staat tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon tegenstaan
stond tegen verleden tijd tegenstaan
stonden tegen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon tegenstaan
tegengestaan voltooid deelwoord tegenstaan
tegensta subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenstaan
tegenstaand onvoltooid deelwoord tegenstaan
tegenstaande woordvorm tegenstaan
tegenstaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd tegenstaan
tegenstond subordinate-clause, verleden tijd tegenstaan
tegenstonden subordinate-clause, verleden tijd tegenstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tegenstaan zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over tegenstaan

Wat is de betekenis van tegenstaan?
Tegenstaan is een werkwoord. De betekenis is: gevoelens van aversie oproepen.
Hoe vervoeg ik tegenstaan?
Zo vervoeg je tegenstaan zo: het voltooid deelwoord is tegengestaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord tegenstaan is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. A 1
  9. A 1
  10. N 1
  11. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

tegenstaan levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. G 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. T 2
  8. A 1
  9. A 1
  10. N 1
  11. 15 zonder bonus
  12. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

tegenstaan in het kort

tegenstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Van tegenstaan staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort tegenstaan bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

tegenstaan: gevoelens van aversie oproepen
Deel tegenstaan — standaardnederlands.nl