ergeren
werkwoord ˈɛrɣərə(n)Betekenis
- gevoelens van onvrede veroorzaken
- zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
Hoe spreek je ergeren uit?
/ˈɛrxərən/
Ergeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ergeren
ergerenhele werkwoord — ergerdeverleden tijd enkelvoud — ergerdenverleden tijd meervoud — geërgerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | erger | ergerde |
| jij | ergert | ergerde |
| hij, zij, het | ergert | ergerde |
| wij | ergeren | ergerden |
| jullie | ergeren | ergerden |
| zij | ergeren | ergerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geërgerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geërgerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geërgerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geërgerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geërgerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geërgerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geërgerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geërgerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| erger | gebiedende wijs |
| erger me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| erger u/je , ergert je | gebiedende wijs |
| ergerde | verleden tijd |
| ergerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ergerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ergerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ergerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ergerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ergerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ergerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ergerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ergerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ergerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ergere | aanvoegende wijs |
| ergere zich | aanvoegende wijs |
| ergeren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ergeren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ergeren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ergerend | onvoltooid, deelwoord |
| ergert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ergert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ergert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ergert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ergert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ergert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ev. | gebiedende wijs |
| geërgerd | verleden tijd, deelwoord |
| geërgerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geërgerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geërgerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geërgerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geërgerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geërgerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geërgerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geërgerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geërgerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geërgerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geërgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geërgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geërgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geërgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geërgerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te ergeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geërgerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ergeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geërgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geërgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geërgerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geërgerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geërgerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geërgerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geërgerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geërgerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geërgerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geërgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geërgerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me ergeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich ergeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ergeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ergerend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geërgerd hebben | verleden tijd |
| zijn geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geërgerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geërgerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geërgerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geërgerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ergeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ergeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanstoot geven of nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van ergeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ergerde | verleden tijd | ergeren |
| ergerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ergeren |
| ergerend | onvoltooid deelwoord | ergeren |
| ergerende | woordvorm | ergeren |
| ergert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ergeren |
| geërgerd | voltooid deelwoord | ergeren |
| geërgerde | woordvorm | ergeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ergeren zijn vastgelegd.