bolder
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een stevig bevestigingspunt op een schip of de kade om een schip aan vast te leggen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bolders | meervoud |
| boldertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boldertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bolderen
- gebiedende wijs van bolderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bolderen
Vervoeging van bolder
bolderhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klamp’ voor het eerst aangetroffen in 1856
Woordfamilie van bolder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bolders | meervoud | bolder |
| boldertje | verkleinwoord | bolder |
| boldertjes | verkleinwoord meervoud | bolder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bolder zijn vastgelegd.