meerpaal
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een paal, in het water of op de wal, waaraan de meertouwen van schepen bij het aanleggen worden vastgelegd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meerpaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| meerpaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| meerpalen | meervoud |
Herkomst
Samenstelling van meer en paal; meer uit Middelnederlands mēre, meere v ‘grenspaal, grens, meerpaal; schandpaal’, uit Oergermaans *mairja- ‘grenspaal’, bij Indo-Europees *mei-, waaruit Latijns mūrus ‘stenen muur, gemetselde wand’. Evenals Oudnoords landamæri ‘grensgebied’, Oudengels (ge)mǣre ‘grens’.
Woordfamilie van meerpaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meerpaaltje | verkleinwoord | meerpaal |
| meerpaaltjes | verkleinwoord meervoud | meerpaal |
| meerpalen | meervoud | meerpaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meerpaal zijn vastgelegd.