steigeren
werkwoordBetekenis
- (van paarden) op de achterbenen gaan staan
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- op de achterbenen gaan staan unergative
- hoger de lucht in gaan unergative
- hoger worden obsolete, unergative
- stijf worden (v.d. penis) informal, unergative
Vervoeging van steigeren
steigerenhele werkwoord — steigerdeverleden tijd enkelvoud — steigerdenverleden tijd meervoud — gesteigerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steiger | steigerde |
| jij | steigert | steigerde |
| hij, zij, het | steigert | steigerde |
| wij | steigeren | steigerden |
| jullie | steigeren | steigerden |
| zij | steigeren | steigerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesteigerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesteigerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesteigerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesteigerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesteigerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesteigerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesteigerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesteigerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesteigerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesteigerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesteigerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesteigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesteigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesteigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesteigerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesteigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesteigerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesteigerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesteigerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| steiger | gebiedende wijs |
| steigerde | verleden tijd |
| steigere | aanvoegende wijs |
| steigerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesteigerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te steigeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen steigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesteigerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen steigeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesteigerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult steigeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘op de achterbenen gaan staan (van paarden)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1839
Woordfamilie van steigeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesteigerd | voltooid deelwoord | steigeren |
| steigerde | verleden tijd | steigeren |
| steigerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | steigeren |
| steigere | aanvoegende wijs | steigeren |
| steigert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | steigeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steigeren zijn vastgelegd.