sporter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- beoefenaar van een sport
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sporters | meervoud |
| sportertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sportertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van sporten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van sporter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sporters | meervoud | sporter |
| sportertje | verkleinwoord | sporter |
| sportertjes | verkleinwoord meervoud | sporter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sporter zijn vastgelegd.