spook
zelfstandig naamwoord, werkwoord spokBetekenis
- een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
- overdrachtelijk: een vervelend persoon
- schrikbeeld
Hoe spreek je spook uit?
/spok/
Spook bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| o | boot |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een veronderstelde geestverschijning die een bepaald gebouw of andere locatie onveilig maakt
- een vervelend persoon figuratively, pejorative
- doembeeld, schrikbeeld figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spoken | meervoud |
| spookje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spookjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
- gebiedende wijs van spoken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
Vervoeging van spook
spookhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands spoke, in de betekenis van ‘bovennatuurlijke verschijning’ aangetroffen vanaf 1477
Woordfamilie van spook
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spookje | verkleinwoord | spook |
| spookjes | verkleinwoord meervoud | spook |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spook zijn vastgelegd.