rukken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrʏkə(n)Betekenis
- in een snelle beweging trekken
- masturberen
Hoe spreek je rukken uit?
/ˈrʏkən/
Rukken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van rukken
rukkenhele werkwoord — rukteverleden tijd enkelvoud — ruktenverleden tijd meervoud — geruktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruk | rukte |
| jij | rukt | rukte |
| hij, zij, het | rukt | rukte |
| wij | rukken | rukten |
| jullie | rukken | rukten |
| zij | rukken | rukten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerukt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerukt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerukt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerukt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerukt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerukt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerukt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerukt | verleden tijd, deelwoord |
| gerukt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerukt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerukt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerukt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerukt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerukt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerukt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerukt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ruk | gebiedende wijs |
| rukke | aanvoegende wijs |
| rukkend | onvoltooid, deelwoord |
| rukte | verleden tijd |
| te hebben gerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerukt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerukt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerukt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ruk
Herkomst
In de betekenis van ‘trekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1376
Woordfamilie van rukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerukt | voltooid deelwoord | rukken |
| gerukte | woordvorm | rukken |
| rukkend | onvoltooid deelwoord | rukken |
| rukkende | woordvorm | rukken |
| rukt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rukken |
| rukte | verleden tijd | rukken |
| rukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rukken zijn vastgelegd.