lukken
werkwoord ˈlʏkə(n)Betekenis
- tot een succes leiden
Hoe spreek je lukken uit?
/ˈlʏkən/
Lukken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lukken
lukkenhele werkwoord — lukteverleden tijd enkelvoud — luktenverleden tijd meervoud — geluktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | luk | lukte |
| jij | lukt | lukte |
| hij, zij, het | lukt | lukte |
| wij | lukken | lukten |
| jullie | lukken | lukten |
| zij | lukken | lukten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelukt | verleden tijd, deelwoord |
| gelukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| luk | gebiedende wijs |
| lukke | aanvoegende wijs |
| lukkend | onvoltooid, deelwoord |
| lukte | verleden tijd |
| te hebben gelukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘slagen’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van lukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lukke | aanvoegende wijs | lukken |
| lukkend | onvoltooid deelwoord | lukken |
| lukkende | woordvorm | lukken |
| lukt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lukken |
| lukte | verleden tijd | lukken |
| lukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lukken zijn vastgelegd.