mislukken
werkwoord /mɪsˈlʏkə(n)/Betekenis
- verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
Hoe spreek je mislukken uit?
/mɪsˈlʏkən/
Mislukken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| l | land |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van mislukken
mislukkenhele werkwoord — mislukteverleden tijd enkelvoud — misluktenverleden tijd meervoud — misluktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | misluk | mislukte |
| jij | mislukt | mislukte |
| hij, zij, het | mislukt | mislukte |
| wij | mislukken | mislukten |
| jullie | mislukken | mislukten |
| zij | mislukken | mislukten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| misluk | gebiedende wijs |
| mislukke | aanvoegende wijs |
| mislukkend | onvoltooid, deelwoord |
| mislukt | verleden tijd, deelwoord |
| mislukt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mislukt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mislukte | verleden tijd |
| te mislukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn mislukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mislukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart mislukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren mislukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren mislukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren mislukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was mislukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was mislukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was mislukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn mislukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt mislukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt mislukt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen mislukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult mislukken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult mislukt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mis en lukken
Woordfamilie van mislukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misluk | gebiedende wijs | mislukken |
| mislukke | aanvoegende wijs | mislukken |
| mislukkend | onvoltooid deelwoord | mislukken |
| mislukkende | woordvorm | mislukken |
| mislukt | voltooid deelwoord | mislukken |
| mislukte | verleden tijd | mislukken |
| mislukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mislukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mislukken zijn vastgelegd.