ruimen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈrœy̯mə(n)/Betekenis
- iets leeg- of schoonmaken
- leegmaken van een graf na een zeker aantal jaren
- alle dieren uit een veestapel doodmaken en hun kadavers vernietigen als maatregel bij een uitbraak van besmettelijke ziekten
- (van wind) geleidelijk van richting veranderen, met de wijzers van de klok mee
Hoe spreek je ruimen uit?
/ˈrœymən/
Ruimen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- geleidelijk van richting veranderen, met de wijzers van de klok mee ergative
Vervoeging van ruimen
ruimenhele werkwoord — ruimdeverleden tijd enkelvoud — ruimdenverleden tijd meervoud — geruimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruim | ruimde |
| jij | ruimt | ruimde |
| hij, zij, het | ruimt | ruimde |
| wij | ruimen | ruimden |
| jullie | ruimen | ruimden |
| zij | ruimen | ruimden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geruimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geruimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geruimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geruimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geruimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geruimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geruimd | verleden tijd, deelwoord |
| geruimd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geruimd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geruimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geruimd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geruimd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geruimd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geruimd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geruimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geruimd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geruimd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ruim | gebiedende wijs |
| ruimde | verleden tijd |
| ruime | aanvoegende wijs |
| ruimend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geruimd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geruimd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geruimd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geruimd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geruimd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ruim
Herkomst
van Middelnederlands rumen, op te vatten als afgeleid van ruim bn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ruimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geruimd | voltooid deelwoord | ruimen |
| geruimde | woordvorm | ruimen |
| ruimde | verleden tijd | ruimen |
| ruimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ruimen |
| ruimend | onvoltooid deelwoord | ruimen |
| ruimende | woordvorm | ruimen |
| ruimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ruimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruimen zijn vastgelegd.