Naar de inhoud

pruimen

eten

pruimen is meer dan één woord

pruimen

werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˈprœy̯mə(n)/

Betekenis

  1. eten
  2. mokken
  3. vermengen van water met stoom
  4. pruimenhout
  5. van pruimenhout gemaakt

Hoe spreek je pruimen uit?

/ˈprœymən/

Pruimen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈprœymən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
œy huis
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. tabak kauwen transitive
  2. accepteren

Vervoeging van pruimen

pruimenhele werkwoord — pruimdeverleden tijd enkelvoud — pruimdenverleden tijd meervoud — gepruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pruim pruimde
jij pruimt pruimde
hij, zij, het pruimt pruimde
wij pruimen pruimden
jullie pruimen pruimden
zij pruimen pruimden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gepruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepruimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepruimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepruimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepruimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepruimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepruimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepruimd verleden tijd, deelwoord
gepruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pruim gebiedende wijs
pruimde verleden tijd
pruime aanvoegende wijs
pruimend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord pruim

Herkomst

[1] [2] [3] Afgeleid van pruim met het achtervoegsel -en, vernoemd naar de vorm of grootte van de pruim.

Woordfamilie van pruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepruimd voltooid deelwoord pruimen
gepruimde woordvorm pruimen
pruimde verleden tijd pruimen
pruimden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pruimen
pruime aanvoegende wijs pruimen
pruimend onvoltooid deelwoord pruimen
pruimende woordvorm pruimen
pruimt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pruimen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over pruimen

Hoe spreek ik pruimen uit?
Zo spreek je pruimen uit: /ˈprœy̯mə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van pruimen?
Pruimen is een werkwoord. De betekenis is: eten. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pruimen?
Zo vervoeg je pruimen zo: de tegenwoordige tijd is pruim, de verleden tijd is pruimde en het voltooid deelwoord is gepruimd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op pruimen?

Er staan 5 woorden in dit woordenboek die op pruimen rijmen, waaronder ruimen, ontruimen en kruimen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op pruimen, uitspraak ˈprœymən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
ruimen 2
ontruimen 3
kruimen 2
fluimen 2
beduimen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pruimen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. U 4
  4. I 1
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pruimen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. U 2
  4. I 2
  5. M 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

pruimen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

pruimen in het kort

pruimen is zowel werkwoord, zelfstandig naamwoord als bijvoeglijk naamwoord. Welke van de betekenissen geldt, hangt af van de zin. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pruimen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pruimen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pruimen: eten
Deel pruimen — standaardnederlands.nl