pruimen
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ˈprœy̯mə(n)/Betekenis
- eten
- mokken
- vermengen van water met stoom
- pruimenhout
- van pruimenhout gemaakt
Hoe spreek je pruimen uit?
/ˈprœymən/
Pruimen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| œy | huis |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- tabak kauwen transitive
- accepteren
Vervoeging van pruimen
pruimenhele werkwoord — pruimdeverleden tijd enkelvoud — pruimdenverleden tijd meervoud — gepruimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pruim | pruimde |
| jij | pruimt | pruimde |
| hij, zij, het | pruimt | pruimde |
| wij | pruimen | pruimden |
| jullie | pruimen | pruimden |
| zij | pruimen | pruimden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepruimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepruimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepruimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepruimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepruimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepruimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepruimd | verleden tijd, deelwoord |
| gepruimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepruimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pruim | gebiedende wijs |
| pruimde | verleden tijd |
| pruime | aanvoegende wijs |
| pruimend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pruimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pruimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pruim
Herkomst
[1] [2] [3] Afgeleid van pruim met het achtervoegsel -en, vernoemd naar de vorm of grootte van de pruim.
Woordfamilie van pruimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepruimd | voltooid deelwoord | pruimen |
| gepruimde | woordvorm | pruimen |
| pruimde | verleden tijd | pruimen |
| pruimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pruimen |
| pruime | aanvoegende wijs | pruimen |
| pruimend | onvoltooid deelwoord | pruimen |
| pruimende | woordvorm | pruimen |
| pruimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pruimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pruimen zijn vastgelegd.