fluimen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈflœymə(n)Betekenis
- spugen, klodders spuug verspreiden
Hoe spreek je fluimen uit?
/ˈflœymən/
Fluimen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| œy | huis |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- klodders spuug verspreiden unergative
Vervoeging van fluimen
fluimenhele werkwoord — fluimdeverleden tijd enkelvoud — fluimdenverleden tijd meervoud — gefluimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fluim | fluimde |
| jij | fluimt | fluimde |
| hij, zij, het | fluimt | fluimde |
| wij | fluimen | fluimden |
| jullie | fluimen | fluimden |
| zij | fluimen | fluimden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fluim | gebiedende wijs |
| fluimde | verleden tijd |
| fluime | aanvoegende wijs |
| fluimend | onvoltooid, deelwoord |
| gefluimd | verleden tijd, deelwoord |
| gefluimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefluimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefluimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefluimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefluimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefluimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefluimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefluimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefluimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefluimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefluimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te fluimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefluimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen fluimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefluimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen fluimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult fluimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefluimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord fluim
Woordfamilie van fluimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fluimde | verleden tijd | fluimen |
| fluimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | fluimen |
| fluime | aanvoegende wijs | fluimen |
| fluimend | onvoltooid deelwoord | fluimen |
| fluimende | woordvorm | fluimen |
| fluimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | fluimen |
| gefluimd | voltooid deelwoord | fluimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluimen zijn vastgelegd.