pruim
zelfstandig naamwoord, werkwoord prœymBetekenis
- pruimenboom
- vrucht van de pruimenboom
- de violette kleur van paarse pruimen (kunnen echter ook geel of rood zijn)
- pluk tabak om op te kauwen of te zuigen
Hoe spreek je pruim uit?
/prœym/
Pruim bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| œy | huis |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Prunus domestica een plantensoort uit de rozenfamilie (Rosaceae) masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pruimen | meervoud |
| pruimpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pruimpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
- gebiedende wijs van pruimen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
Vervoeging van pruim
pruimhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1377-1378
Woordfamilie van pruim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pruimpje | verkleinwoord | pruim |
| pruimpjes | verkleinwoord meervoud | pruim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pruim zijn vastgelegd.