postkaart
zelfstandig naamwoord ˈpɔstkartBetekenis
- stevig stuk rechthoekig papier dat kan worden beschreven en ook zonder envelop met de post kan worden verzonden, vaak met een afbeelding aan een kant
- blad met een schematisch beeld van een bepaald gebied en andere informatie die van belang is voor de verwerking van de post
- overzicht van de brieven die via een posthuis zijn verstuurd of ontvangen
Hoe spreek je postkaart uit?
/ˈpɔstkart/
Postkaart bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| t | tak |
| k | kat |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| postkaarten | meervoud |
| postkaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| postkaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van post zn en kaart zn
Woordfamilie van postkaart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| postkaarten | meervoud | postkaart |
| postkaartje | verkleinwoord | postkaart |
| postkaartjes | verkleinwoord meervoud | postkaart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van postkaart zijn vastgelegd.