drost
zelfstandig naamwoord, werkwoord drɔstBetekenis
- historische titel, aanklager in dienst van landheer
- landdrost, (In Limburg, Brabant en Overijssel): drossaard
Hoe spreek je drost uit?
/drɔst/
Drost bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| drosten | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drossen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drossen
- gebiedende wijs meervoud van drossen
Vervoeging van drost
drosthele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands drost, (verkorting) van drossaard, in de betekenis van ‘bestuursambtenaar’ aangetroffen vanaf 1354-1408