plagen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand lastigvallen, teisteren, kwellen
- iemand goedmoedig pesten
werkwoord
- iets of iemand lastigvallen, teisteren, kwellen transitive
Vervoeging van plagen
plagenhele werkwoord — plaagdeverleden tijd enkelvoud — plaagdenverleden tijd meervoud — geplaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plaag | plaagde |
| jij | plaagt | plaagde |
| hij, zij, het | plaagt | plaagde |
| wij | plagen | plaagden |
| jullie | plagen | plaagden |
| zij | plagen | plaagden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geplaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplaagd | verleden tijd, deelwoord |
| geplaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plaag | gebiedende wijs |
| plaagde | verleden tijd |
| plage | aanvoegende wijs |
| plagend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geplaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geplaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plaag
Herkomst
In de betekenis van ‘speels kwellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van plagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplaagd | voltooid deelwoord | plagen |
| plaagde | verleden tijd | plagen |
| plaagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plagen |
| plaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plagen |
| plage | aanvoegende wijs | plagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plagen zijn vastgelegd.