pijp
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pɛi̯p/Betekenis
- buis
- broekspijp
- tabakspijp
- orgelpijp
Hoe spreek je pijp uit?
/pɛip/
Pijp bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛi | trein |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijpen | meervoud |
| pijpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pijpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijpen
- gebiedende wijs van pijpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pijpen
Vervoeging van pijp
pijphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘buis’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van pijp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijpje | verkleinwoord | pijp |
| pijpjes | verkleinwoord meervoud | pijp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pijp zijn vastgelegd.