rijp
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord rɛipBetekenis
- (Nederlands-Nederlands) rijm, aangevroren dauw of mist
- (Noordoost-Nederlands) stenen voetpad
- oever, waterkant, rand
- de eetbare toestand bereikt hebbend
- tot volwassenheid gekomen zijnde
Hoe spreek je rijp uit?
/rɛip/
Rijp bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- rijm, aangevroren dauw of mist
zelfstandig naamwoord — masculine
- stenen voetpad
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
- gebiedende wijs van rijpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijpen
Vervoeging van rijp
rijphele werkwoord
Herkomst
znw1: erfwoord: Middelnederlands rīpe, ontwikkeld uit Oergermaans *hrīpan-, nevenvorm van *hrīman-, beide uit vroeger *hrīmō (genitief hrīpaz), bij Indo-Europees *kréip-mōn- (gen. *krip-(m)n-ós), misschien van de wortel *kreh₁i- ‘zeven, scheiden’. Evenals Nederduits Riep en Duits Reif.
Woordfamilie van rijp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijper | woordvorm | rijp |
| rijpere | woordvorm | rijp |
| rijpers | woordvorm | rijp |
| rijps | woordvorm | rijp |
| rijpst | woordvorm | rijp |
| rijpste | woordvorm | rijp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijp zijn vastgelegd.