pijpenkop
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de kant van een tabakspijp waarin de pijptabak zit en brandt, aan de andere kant zit het mondstuk
- vingerhoedskruid
- het verbrede uiteinde van een doodlopende straat
zelfstandig naamwoord — masculine
- Digitalis purpurea vingerhoedskruid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pijpenkopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pijpenkopjes | verkleinwoord, meervoud |
| pijpenkoppen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van pijp zn en kop zn met het invoegsel -en-
Woordfamilie van pijpenkop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pijpenkopje | verkleinwoord | pijpenkop |
| pijpenkopjes | verkleinwoord meervoud | pijpenkop |
| pijpenkoppen | meervoud | pijpenkop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pijpenkop zijn vastgelegd.