nerf
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- verdikte, van de steel uitgaande vaatbundel in een blad, bladnerf
- structuur van houtvezels in de lengterichting van de stam, houtnerf
- structuur van vezels in papier
- de oneffenheid op leer of een dierenhuid
- zenuw
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nerfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nerfjes | verkleinwoord, meervoud |
| nerven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nerven
- gebiedende wijs van nerven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nerven
Vervoeging van nerf
nerfhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zenuw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1850
Woordfamilie van nerf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nerfje | verkleinwoord | nerf |
| nerfjes | verkleinwoord meervoud | nerf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nerf zijn vastgelegd.