ribbel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈrɪbəl/Betekenis
- smalle verhoging aan een voorwerp
Hoe spreek je ribbel uit?
/ˈrɪbəl/
Ribbel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ribbels | meervoud |
| ribbeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ribbeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribbelen
- gebiedende wijs van ribbelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ribbelen
Vervoeging van ribbel
ribbelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verhoging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1897
Woordfamilie van ribbel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ribbels | meervoud | ribbel |
| ribbeltje | verkleinwoord | ribbel |
| ribbeltjes | verkleinwoord meervoud | ribbel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ribbel zijn vastgelegd.