meppen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmɛpə(n)Betekenis
- hard slaan
Hoe spreek je meppen uit?
/ˈmɛpən/
Meppen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meppen
meppenhele werkwoord — mepteverleden tijd enkelvoud — meptenverleden tijd meervoud — gemeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mep | mepte |
| jij | mept | mepte |
| hij, zij, het | mept | mepte |
| wij | meppen | mepten |
| jullie | meppen | mepten |
| zij | meppen | mepten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemept | verleden tijd, deelwoord |
| gemept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mep | gebiedende wijs |
| meppe | aanvoegende wijs |
| meppend | onvoltooid, deelwoord |
| mepte | verleden tijd |
| te hebben gemept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te meppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mep
Herkomst
In de betekenis van ‘slaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912
Woordfamilie van meppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemept | voltooid deelwoord | meppen |
| gemepte | woordvorm | meppen |
| meppe | aanvoegende wijs | meppen |
| meppend | onvoltooid deelwoord | meppen |
| meppende | woordvorm | meppen |
| mept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meppen |
| mepte | verleden tijd | meppen |
| mepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meppen zijn vastgelegd.