scheppen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxɛpə(n)Betekenis
- het doen ontstaan uit niets
- met een lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit een vat naar boven halen
- in een aanrijding op het voertuig doen belanden
Hoe spreek je scheppen uit?
/ˈsxɛpən/
Scheppen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- doen ontstaan uit niets; maken transitive
Vervoeging van scheppen
scheppenhele werkwoord — geschapenvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] scheppen | canonical |
| geschapen | verleden tijd, deelwoord |
| schiep | verleden tijd |
werkwoord
- met lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen transitive
Vervoeging van scheppen
scheppenhele werkwoord — gescheptvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] scheppen | canonical |
| geschept | verleden tijd, deelwoord |
| schepte | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schep
Woordfamilie van scheppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschapen | voltooid deelwoord | scheppen |
| scheppe | woordvorm | scheppen |
| schept | woordvorm | scheppen |
| schepte | verleden tijd | scheppen |
| schepten | woordvorm | scheppen |
| schiep | verleden tijd | scheppen |
| schiepen | woordvorm | scheppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheppen zijn vastgelegd.