manken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmɑŋkə(n)Betekenis
- moeizaam lopen door een aandoening aan één been
- kwetsen, verminken, minder maken
- mannequin, model, fotomodel
- mannequin, paspop, etalagepop
- mannequin, ledenpop (door kunstenaars gebruikte houten pop met beweegbare ledematen)
Hoe spreek je manken uit?
/ˈmɑŋkən/
Manken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van manken
mankenhele werkwoord — mankteverleden tijd enkelvoud — manktenverleden tijd meervoud — gemanktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mank | mankte |
| jij | mankt | mankte |
| hij, zij, het | mankt | mankte |
| wij | manken | mankten |
| jullie | manken | mankten |
| zij | manken | mankten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemankt | verleden tijd, deelwoord |
| gemankt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemankt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mank | gebiedende wijs |
| manke | aanvoegende wijs |
| mankend | onvoltooid, deelwoord |
| mankte | verleden tijd |
| te hebben gemankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te manken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen manken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt manken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen manken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult manken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord manke
Herkomst
van Middelnederlands manken; afgeleid van mank met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van manken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemankt | voltooid deelwoord | manken |
| gemankte | woordvorm | manken |
| mankend | onvoltooid deelwoord | manken |
| mankende | woordvorm | manken |
| mankt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | manken |
| mankte | verleden tijd | manken |
| mankten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | manken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manken zijn vastgelegd.