janken
werkwoord ˈjɑŋkə(n)Betekenis
- traanvocht uitscheiden door emotie
Hoe spreek je janken uit?
/ˈjɑŋkən/
Janken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van janken
jankenhele werkwoord — jankteverleden tijd enkelvoud — janktenverleden tijd meervoud — gejanktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jank | jankte |
| jij | jankt | jankte |
| hij, zij, het | jankt | jankte |
| wij | janken | jankten |
| jullie | janken | jankten |
| zij | janken | jankten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejankt | verleden tijd, deelwoord |
| gejankt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejankt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jank | gebiedende wijs |
| janke | aanvoegende wijs |
| jankend | onvoltooid, deelwoord |
| jankte | verleden tijd |
| te hebben gejankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te janken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen janken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt janken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen janken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult janken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘huilen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van janken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejankt | voltooid deelwoord | janken |
| jank | gebiedende wijs | janken |
| janke | aanvoegende wijs | janken |
| jankt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | janken |
| jankte | verleden tijd | janken |
| jankten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | janken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van janken zijn vastgelegd.