koppel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɔpəlBetekenis
- tweetal
- aantal bij elkaar behorende dieren of zaken
- stelsel van twee in absolute zin gelijke en evenwijdige krachten, waarvan de werklijnen niet samenvallen en die in tegengestelde richting werken
- draagriem, vooral om een sabel, bajonet enz. aan te dragen
Hoe spreek je koppel uit?
/ˈkɔpəl/
Koppel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- twee mensen die met elkaar een relatie hebben of met elkaar getrouwd zijn
- een grootheid die iets zegt over de trekkracht van een voertuig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koppels | meervoud |
| koppeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koppeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koppels | meervoud |
| koppeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koppeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koppelen
- gebiedende wijs van koppelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koppelen
Vervoeging van koppel
koppelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stel, paartje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van koppel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koppels | meervoud | koppel |
| koppeltje | verkleinwoord | koppel |
| koppeltjes | verkleinwoord meervoud | koppel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koppel zijn vastgelegd.