koppelen
werkwoordBetekenis
- de koppeling van een voertuig bedienen
- vast aan elkaar verbinden
- een liefdesrelatie tot stand brengen
Vervoeging van koppelen
koppelenhele werkwoord — koppeldeverleden tijd enkelvoud — koppeldenverleden tijd meervoud — gekoppeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koppel | koppelde |
| jij | koppelt | koppelde |
| hij, zij, het | koppelt | koppelde |
| wij | koppelen | koppelden |
| jullie | koppelen | koppelden |
| zij | koppelen | koppelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekoppeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekoppeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekoppeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekoppeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekoppeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekoppeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekoppeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekoppeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekoppeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekoppeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekoppeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekoppeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekoppeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekoppeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekoppeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekoppeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekoppeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekoppeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekoppeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekoppeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koppel | gebiedende wijs |
| koppelde | verleden tijd |
| koppele | aanvoegende wijs |
| koppelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekoppeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekoppeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekoppeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekoppeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekoppeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekoppeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekoppeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekoppeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen koppelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekoppeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekoppeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekoppeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult koppelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aan iets verbinden’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van koppelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koppelde | verleden tijd | koppelen |
| koppelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | koppelen |
| koppele | aanvoegende wijs | koppelen |
| koppelend | onvoltooid deelwoord | koppelen |
| koppelende | woordvorm | koppelen |
| koppelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | koppelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koppelen zijn vastgelegd.