koppelaar
zelfstandig naamwoord ˈbɪncəBetekenis
- iemand die probeert om mensen in contact met elkaar te brengen om een huwelijk te bewerkstelligen
- iemand die gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht, bordeelhouder
- iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen
Hoe spreek je koppelaar uit?
/ˈbɪncə/
Koppelaar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| c | tientje |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als bintje.
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht euphemistic
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koppelaars | meervoud |
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands coppelaer, ontleend aan (laat-)Middelhoogduits kuppelære , aangetroffen sinds Kiliaan.
Woordfamilie van koppelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koppelaars | meervoud | koppelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koppelaar zijn vastgelegd.