kophout
zelfstandig naamwoord ˈkɔphɑutBetekenis
- één van de twee uitgeholde houten steunen waarop een vat of ton ligt, zodat het op zijn plaats blijft liggen en geheel vrij blijft van de grond
- eenvoudige houten stut in een mijn, al dan niet afgedekt met een rond of halfrond hout
- stuk rondhout met uithollingen of uitsparingen aan beide uiteinden, waardoor een touw of lijn geregen wordt
Hoe spreek je kophout uit?
/ˈkɔphɑut/
Kophout bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- elk van de twee uitgeholde houten steunen waarop een vat of ton ligt, zodat het op zijn plaats blijft liggen en geheel vrij blijft van de grond
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kophouten | meervoud |
| kophoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kophoutjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van kop zn en hout zn
Woordfamilie van kophout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kophouten | meervoud | kophout |
| kophoutjes | verkleinwoord meervoud | kophout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kophout zijn vastgelegd.