gaffel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɣɑfəlBetekenis
- meer of minder van de mast schuin omhoog uitstaand rondhout, om de bovenkant van een zeil (het bovenlijk) uit te houden
- werktuig, met een steel die het ene einde in twee armen of tanden uitloopt
- het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
- een element in een Y-vorm, gelijkend naar een pallium
- benaming van verschillende voorwerpen die de vorm van een gaffel hebben
- vork; voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- gaffel
- (couvert) vork
- gaffel, mestvork, riek
- (fiets) vork, achtervork, voorvork
- vork, paardvork
- vork
Hoe spreek je gaffel uit?
/ˈxɑfəl/
Gaffel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gaffels | meervoud |
| gaffeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gaffeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gaffelen
- gebiedende wijs van gaffelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gaffelen
Vervoeging van gaffel
gaffelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tweetandige stok, vork’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van gaffel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaffels | meervoud | gaffel |
| gaffeltje | verkleinwoord | gaffel |
| gaffeltjes | verkleinwoord meervoud | gaffel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaffel zijn vastgelegd.