stutten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iets door het plaatsen van een steun voor omvallen behoeden
Vervoeging van stutten
stuttenhele werkwoord — stutteverleden tijd enkelvoud — gestutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stut | stutte |
| jij | stut | stutte |
| hij, zij, het | stut | stutte |
| wij | stutten | — |
| jullie | stutten | — |
| zij | stutten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gestut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestut | verleden tijd, deelwoord |
| gestut te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestut te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestut te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestut te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestut worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestut zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestut zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestut zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stut | gebiedende wijs |
| stutte | verleden tijd |
| stutte | aanvoegende wijs |
| stuttend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gestut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te stutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gestut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gestut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gestut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stutten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gestut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stutten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stut
Herkomst
In de betekenis van ‘stuiten, steunen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1364
Woordfamilie van stutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestut | voltooid deelwoord | stutten |
| gestutte | woordvorm | stutten |
| stutte | verleden tijd | stutten |
| stuttend | onvoltooid deelwoord | stutten |
| stuttende | woordvorm | stutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stutten zijn vastgelegd.