afnemer
zelfstandig naamwoord ˈɑfnemərBetekenis
- individueel persoon of rechtspersoon die goederen of diensten opkoopt
Hoe spreek je afnemer uit?
/ˈɑfnemər/
Afnemer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| n | nek |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- individueel persoon of rechtspersoon die goederen of diensten opkoopt, mannelijke vorm van afneemster
- een voorziening die afneemt (bijv. elektrische stroom van een bovenleiding)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afnemers | meervoud |
| afnemertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afnemertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koper’ voor het eerst aangetroffen in 1903
Woordfamilie van afnemer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afnemers | meervoud | afnemer |
| afnemertje | verkleinwoord | afnemer |
| afnemertjes | verkleinwoord meervoud | afnemer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afnemer zijn vastgelegd.