knikker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈknɪkərBetekenis
- balletje van glas, marmer, steen, hout of klei, meestal gebruikt door kinderen om ermee te knikkeren
- iemand die met het hoofd een op- en neergaande beweging maakt (meestal als teken van instemming)
Hoe spreek je knikker uit?
/ˈknɪkər/
Knikker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- hoofd [1] informal
- een geslacht Pyrenula van schimmels uit de familie Pyrenulaceae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knikkers | meervoud |
| knikkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knikkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knikkeren
- gebiedende wijs van knikkeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knikkeren
Vervoeging van knikker
knikkerhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van knikken met het achtervoegsel -er **[1] kan ook als klanknabootsing worden opgevat, in de betekenis van ‘glazen of stenen balletje als kinderspel’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van knikker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knikkers | meervoud | knikker |
| knikkertje | verkleinwoord | knikker |
| knikkertjes | verkleinwoord meervoud | knikker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knikker zijn vastgelegd.