kikker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɪkərBetekenis
- gewerveld dier dat vier poten heeft maar geen staart
- een dubbele haak ter bevestiging van een touw
- (zeldzaam)
- bekritiseren, klagen
- vluchtig kijken
Hoe spreek je kikker uit?
/ˈkɪkər/
Kikker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als kicker.
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor amfibieën uit de orde Anura, gewervelde dieren met vier poten zonder staart
- dubbele haak ter bevestiging van een touw
- als tweede deel samenstelling: iemand die ergens sterk door wordt gekenmerkt figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kikkers | meervoud |
| kikkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kikkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kikkeren
- gebiedende wijs van kikkeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kikkeren
Vervoeging van kikker
kikkerhele werkwoord
Herkomst
[1]: naamwoord van handeling van kikken ww met het achtervoegsel -er, klanknabootsing van het geluid dat het dier maakt, in de betekenis van ‘kikvorsachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1623
Woordfamilie van kikker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kikkertje | verkleinwoord | kikker |
| kikkertjes | verkleinwoord meervoud | kikker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kikker zijn vastgelegd.