kim
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord kɪmBetekenis
- de horizon: de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
- (kuiperij) de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
- (boekbinden) strook aan de zijkant van een enkel blad die het omgevouwen mogelijk maakt dit in een katern mee te naaien
- de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsgebied van bodem naar de boorden
- (Bargoens) akkoord!, in orde!, oké!, goed!
- kin
- goud
Hoe spreek je kim uit?
/kɪm/
Kim bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɪ | pit |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
- strook aan de zijkant van een enkel blad die het omgevouwen mogelijk maakt dit in een katern mee te naaien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kimmen | meervoud |
| kimmetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kimmetjes | verkleinwoord, meervoud |
| ook gespeld: kimme |
tussenwerpsel
- akkoord!, in orde!, oké!, goed!
Verbuiging en vervoeging (tussenwerpsel)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kim! | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
- gebiedende wijs van kimmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
Vervoeging van kim
kimhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘horizon’ voor het eerst aangetroffen in 1658