sim
zelfstandig naamwoord, werkwoord sɪmBetekenis
- lijn van een hengel
- drijver aan een hengelsnoer die gaat bewegen als een vis in het aas hapt
- touw om een visnet dicht te trekken of uit te spannen
- kaartje dat een telefoonbedrijf aan een abonnee verstrekt om in een mobiele telefoon te plaatsen zodat die toegang krijgt tot het netwerk
- iemand die zich onbehoorlijk gedraagt
- rugstuk van een hert of ree
- simulation ('simulatie')
- ja
Hoe spreek je sim uit?
/sɪm/
Sim bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| simmen | enkelvoud |
| simmetje | verkleinwoord |
| simmetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| simmetje | verkleinwoord |
| simmetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| sims | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor primaat uit de infraorde Simiiformes obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| simmen | enkelvoud |
| simmetje | verkleinwoord |
| simmetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort tropische bonenplant Lablab purpureus
- peul van Lablab purpureus
- boon van Lablab purpureus
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van simmen
- gebiedende wijs van simmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van simmen
Vervoeging van sim
simhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘aap’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van sim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| simmetje | verkleinwoord | sim |
| simmetjes | verkleinwoord | sim |
| sims | enkelvoud | sim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sim zijn vastgelegd.