interim
bijwoord, zelfstandig naamwoord ˈɪntəˌrɪmBetekenis
- tijdelijke werkkracht, interimaris
- (in Nederland) tweemaal per jaar uitbetaalde ziektekostenuitkering voor ambtenaren
- (in België, niet algemeen) tussentijds ambt, tijdelijke betrekking
Hoe spreek je interim uit?
/ˈɪntəˌrɪm/
Interim bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- periode die als overbrugging dient
- tweemaal per jaar uitbetaalde ziektekostenuitkering voor ambtenaren
zelfstandig naamwoord — masculine
- tijdelijke baan, tussentijds ambt informal
zelfstandig naamwoord
- tijdelijke werkkracht
Herkomst
van Latijn interim "intussen, inmiddels", in de betekenis van ‘tussentijd’ aangetroffen vanaf 1568 **m: via Frans intérim zn
Woordfamilie van interim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| interimmetje | woordvorm | interim |
| interimmetjes | meervoud | interim |
| interimpje | woordvorm | interim |
| interimpjes | meervoud | interim |
| interims | meervoud | interim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van interim zijn vastgelegd.