slim
bijvoeglijk naamwoord slɪmBetekenis
- intelligent, snel van begrip
- verstandig, handig
- slank
- lage kans van slagen
- gewicht verliezen
- (spijker)broek met smalle pijpen
- slijm, fluim
- algentapijt, een tapijt van algen of wieren
Hoe spreek je slim uit?
/slɪm/
Slim bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| m | maan |
bijvoeglijk naamwoord
- sluw; achterbakshandig op een slinkse manier
- uitgerust met bepaalde chips [2], software e.d. om snel informatie te kunnen verwerken
- slecht, verkeerd obsolete
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slimme | verbogen, stellende trap |
| slimmer | onverbogen, vergrotende trap |
| slimmere | verbogen, vergrotende trap |
| slimmers | partitief, vergrotende trap |
| slims | partitief, stellende trap |
| slimst | onverbogen, overtreffende trap |
| slimste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Oorspronkelijk in de betekenis van 'verkeerd, slecht, onoprecht' (vergelijk Duits schlimm). In de betekenis van ‘schrander’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1602
Woordfamilie van slim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slimme | verbogen vorm | slim |
| slimmer | vergrotende trap | slim |
| slimmere | verbogen vergrotende trap | slim |
| slimmers | partitieve vergrotende trap | slim |
| slims | partitive, positive | slim |
| slimst | uninflected, superlative | slim |
| slimste | inflected, superlative | slim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slim zijn vastgelegd.