kans
zelfstandig naamwoord kɑnsBetekenis
- mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
- een mooie gelegenheid
Hoe spreek je kans uit?
/kɑns/
Kans bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kansen | meervoud |
| kansje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kansjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kansen | meervoud |
| kansje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kansjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Picardisch cance (= Frans chance), in de betekenis van ‘waarschijnlijkheid’ aangetroffen vanaf 1350 Het Picardisch cance is ontwikkeld uit het Volkslatijn omv cadentia (enk cadens “vallend, voorvallend”). Het Franse chance (ook geleend in het Duits en Engels) vertoont de verzachting van c /k/ → ch /ʃ/. Het Nederlands heeft het woord daarentegen uit het conservatievere Picardisch geleend, vandaar de k, vergelijk kar uit Picardisch car (= Frans char) en kasteel uit Oudpicardisch *castel, modern catieu (= Frans château).
Woordfamilie van kans
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kansen | meervoud | kans |
| kansje | verkleinwoord | kans |
| kansjes | verkleinwoord meervoud | kans |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kans zijn vastgelegd.