trans
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord trɑnsBetekenis
- omgang op de top van een toren
- iemand met een geslachtelijke identiteit die verschilt van de biologische sekse bij geboorte
- aan de andere kant van het centrale atoom of de dubbele binding (binnen een molecuul)
- aan de andere kant van, over
- naar de andere kant van, over
Hoe spreek je trans uit?
/trɑns/
Trans bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transen | meervoud |
| transje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| transen | meervoud |
| transje | verkleinwoord, enkelvoud |
| transjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- een geslachtelijke identiteit hebbend die verschilt van de biologische sekse bij geboorte
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] trans | canonical |
Woordfamilie van trans
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| transen | meervoud | trans |
| transje | verkleinwoord | trans |
| transjes | verkleinwoord meervoud | trans |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trans zijn vastgelegd.